Ik verlaat het ziekenhuis met mijn nieuwbakken zoon in mijn armen. Het ventje dat moeiteloos mijn liefde veroverd heeft, dat ik al vijf dagen heb liggen aanbidden, de eerste man bij wie ik een absolute coup de foudre heb beleefd, de enige man die meteen mijn onvoorwaardelijke liefde heeft gekregen.
En vanaf nu moet ik er alleen voor zorgen. Alléén. Fin, met man maar zonder een leger deskundige vroedvrouwen, geruststellende kinderartsen en helpende kinderverzorgsters. Zonder de heilige bel boven mijn bed. En ik panikeer zoals ik nog nooit in mijn leven gepanikeerd heb. Ik kan dat niet, brul ik, ik heb begot nog nooit gebabysit, ik wéét niks van kinderen, ik weet niet hoe zo’n kind overleeft, ik heb daar niet voor gestudeerd, ik KAN DAT NIET!!
En thuis gil ik en stampvoet ik: “Het is hier te wàrm! Veel te warm! Hij gaat sterven aan wiegedood!”. Partner, volkomen verbijsterd over zoveel onEvege hysterie, zet de verwarming minder. “Néééééééééééé! Te koud, hij wordt ziek zo!”. “Schat”, vermoeide zucht, “20 graden is prima, echt.” Maar ik geef niet op “in het folderke staat dat ze in 18 graden moeten slapen en in 22 graden moeten spelen!”, ik stamp door de kamer, voel aan radiatoren, verzet het wiegje vijfhonderd keer, want overal tocht het, zo lijkt het, kijk argwanend naar de paar milimeter ruimte tussen matrasje en wiegjeswand – daardoor zou hij kunnen stikken – en eindig met mijn zoon stevig in mijn armen, van plan om hem het komende jaar er niet meer uit te laten.
Maar een minuut later spring ik weer op, kijk in zijn pamper “zit dat niet te strak denkt ge?”, ga ongerust naar het uurwerk kijken “hij heeft al lang niet meer gegeten, moet ik hem wakker maken, hij eet te weinig hé”, zet de tv af “teveel straling denk ik”, ga een dekentje halen om over mijn arm te draperen “hij moet zachter liggen zunne, dit ligt niet lekker zo”, kijk ongerust naar zijn lighouding “dat kan nooit goed zijn, zo liggen, is dat wel goed voor dat rugje?” bestudeer zijn gezichtje “hij ziet bléék!”. Partner ziet het aan en zwijgt verstandig.
We schrijven 5,5jaar later. Ik wis het zweet van mijn voorhoofd, veeg voldaan mijn handen af. Héhé. Zoon leeft nog steeds, partner is de aanvankelijke hysterie bijna vergeten. Het is, zoals kon voorspeld worden, allemaal niet perfect verlopen. Zoals die keer dat ik de kaka (pardonpardon) van zijn billetjes moest schrapen, wegens volkomen vergeten dat pampers dienen ververst te worden. Of de keer dat ik hem vergat zijn ontbijt te geven en het manneke een halve dag met honger op school rondliep. Of die keer dat ik, schaamrood op de wangen, een half uur te laat de crèche binnenstormde, waar ik tegen een boze verzorgster iets mompelde over deadline en tijd uit het oog verloren. Of alle keren dat ik ’s morgens niets in huis had en dus maar langs de bakker een koek haalde die hij opat in de auto. Of alle keren dat ik mij oversliep terwijl hij aan mijn oren zat te trekken. Of de keren dat ik ontdekte dat het reeds 21 u was en hij eigenlijk dringend in bed moest. Of de keren dat ik hem vergat in bad te stoppen. Of de keren dat we frieten of pizza moesten halen wegens vergeten te winkelen. Ofofof… och zoveel.
Maar hij is gelukkig met mij, denk ik. En ik met hem, weet ik.
Maar doe mij dat in gòdsnaam niet opnieuw doen!