Het kind blijft huilen, het gezichtje rood aangelopen, het hoofdje drijfnat van het zweet, de armpjes zwaaiend als op hol geslagen molenwieken.
De moeder houdt het bundeltje kind op afstand, en kijkt naar haar eerstgeborene, haar zoon, haar jongen, haar…
De mond is wijd opengesperd. Tandeloos. Het geluid sterft weg en ze ziet alleen nog maar die angstaanjagende opengesperde babymond.
Ze moet iets doen, want anders verslindt het kind haar, ze moet iets doen, ze moet iets doen, het bloed klopt in haar slapen, ze moet iets doen, ze moet iets, een waas, ze heft haar hand en dan ziet ze opeens de blik in de ogen van het jongetje. Er is terug geluid, gezang nu, heel ijl en ver weg, alsof er lentewind waait, en klokjes en gras, lichtgroen gras, ze hoort gras, en ze ziet haar kind opgroeien. Een peuter met kuiltjes in de wangen die zijn mollige armpjes naar haar uitstrekt, een kleuter, een kind, een jongeman.
Ze ziet zijn bruid en hun kinderen. Ze ziet zichzelf ouder worden in zijn ogen, een oude vrouw met rimpels en wit haar, in een schommelstoel, haar zoon die haar hand vasthoudt, ze ziet zijn droef gezicht, voelt zijn pijn als ze haar graf ziet, voelt hoe haar geest als een lentewind langst zijn haar strijkt.
Haar hand zakt en streelt over zijn haar.
‘Sttttttt, mijn kind, stil, alles komt goed, ik ben er sttttt stil maar’
De ogen van het kind vallen toe.
Hij slaapt.