Geloven
Ach en wee, waarom, o Schepper, wat hebt ik gedaan, ay mi ay mi verdoemd ben ik verdoemd zeg ik U, kom hier met die berkentwijgen dat ik mijzelve kastijd.
He, geen berkentwijgen? Een berkenboom, misschien? Ergens, of, of desnoods een ander boom, iemand? Nee, okee, we zijn in het midden van een wereldstad, maar toch, hoe faalt de Heer alweer, ik heb gezondigd, ik toon berouw, ik wil het boetekleed aantrekken (en dan uit bij het kastijden, wat bloedvlekken krijg je er zo moeilijk uit) maar waar vind ik de stok om mijzelve, nietige hond te slaan, want wie een hond wil slaan vindt toch altijd een stok? Waar dan, ik zie auto’s en verkeerslichten en bomma’s met hondjes en dreigende lucht maar geen twijg ofte tak?
Moet ik hieruit concluderen dat Gij niet bestaat? Dat Gij een vluchtig hersenspinsel zijn? Een optische illusies, een fabel een verzinsel een sprookje een vertelselke iets voor kinnekes bang mee te maken, veel blaffen maar niet bijten, veel geblaat en weinig wol?
Of, Of
O, kijk, de hemel klaart op, de zon straalt, een hemelkrans een regenboog een lachende aureool, de Heer ziet in mij geen zondaar, ik was een onschuldig lam dat zichzelve naar de slachtbank wou leiden, maar Hij heeft het verijdelt wat is de Heer groots en prachtig, dank, o dank o, dank u Heer
En nu graag een engelenkoortje, als het kan.

Zoon is een echte plantrekker, zijn standaard zinnetje : “Dat is niet zo erg !”. En dat wordt te pas en te onpas gebruikt, als hij zijn broek achterstevoren aandoet, zijn schoenen aan de verkeerde voet doet, als hij zijn potje yoghurt op de grond laat vallen, als hij aan het stopcontact zit te prullen, van de 5de trede naar beneden wil springen, …. Opruimen is ook zijn sterkste kant niet, thuis valt dat natuurlijk op als Oudste Dochter alles zelf opruimt, maar op de kribbe, tussen 8 andere kindjes, muist hij er blijkbaar altijd onderuit met één of ander excuus. Dat belooft voor later.