Hoestje
Aleee, waar blijven ze, de doden van de Mexicaanse griep? Al die duizenden lijken, die rouwstoet van mensen met mondmaskers? Die legertenten vol veldbedden met hoestende grieplijders?
Weet je wat het is? De jeugd kent geen virussen meer.
De Spaanse Griep, dat was een griep! Mensen vielen dood op straat, men kon het niet bijhouden, van pure ellende gooiden we ongebluste kalk op de rottende lichamen langst de kant van de weg.
Maar zeurden wij? Ik dacht het niet! Wij gingen door, met werken, zonder al die brol van reinigende gel en elleboog-in-plaats-van-handjes geven.
Den oorlog was niks tegen die griep. Maar waren wij bang? Hadden wij schrik van de griep? Mor nee, wij hadden het te druk met overleven, met werken voor de kost en hinderlagen leggen voor den Duits.
De Griep, dat was iets voor sissy’s.
En nu geven ze griepspuiten, zo’n klein ieniemienie naaldje in uw arm.
Vroeger, vroeger gaven ze pas picuren, met een stompe holle naald, van zeker 15 cm. Wat zeg ik 25 cm, minstens, en heel traag, petat in uw gat. Weken kon je niet zitten, niet dat we tijd hadden om te zitten, ‘t was oorlog, wij hadden wel iets anders te doen dan op ons gat te zitten.
En trouwens he, trouwens, in Duitsland spraken ze toen van de Vlaamse Griep, een geuzennaam, iets om fier op te zijn, in plaats van te bestrijden met geparfumeerde ontsmettingsdoekjes.
Er is trouwens maar één remedie tegen de griep: Rum, zo lere ons de koning van Spanje.
Bij deze: Schol!
| |
Je tip komt wel te laat. Ik ben haast twee weken ziek geweest van de griep. Maar weet je, ik neem die rum om zeker niet te hervallen.
Een bokaal bloedzuigers is ook niet slecht!