Waanzin op woensdag. Deel 1
Er broeien een aantal gedachten
De jongen keek op. Hij had begrepen dat ze hem kwamen arresteren, al begreep hij niet direct wat hij verkeerd had gedaan. Zijn moeder bekeek hem met een verachtelijke blik. Ze had sinds de mannen in huis waren, geen woord meer tegen hem gezegd. Ze had daar stil gezeten terwijl het huis werd doorzocht. Hij was op een stoel geduwd en had ook toegezien hoed de mannen het hele huis overhoop haalden. De mannen hadden geen woord gezegd, maar waren met een ongelooflijke energie te werk gegaan. Hij keek weer op naar zijn moeder. Hij wou dat ze iets zou zeggen, maar ze zat daar maar en hij keek dan maar weer naar beneden. Uiteindelijk waren de mannen dan toch klaar. Ze hadden niets gevonden. Een van hen kwam achter de jongen staan. Hij had een paar boeien in zijn handen.
“Sta op en steek je handen naar achter.” De jongen stond op en gehoorzaamde. De man nam zijn polsen en stak ze in de boeien. Nu was het zover. Ze zouden hem meenemen. Hij keek weer naar zijn moeder, maar zij zei nog steeds niets.
“Mama?”
Vragend keek de jongen naar haar, maar zij deed alsof ze hem niet gehoord had. Ze stond op en begon de tafel op te ruimen.
“Mama, alstublieft; zeg dan toch iets, ik heb niets gedaan…” Moeder verliet de kamer. De jongen wou haar na roepen, maar hij voelde de hand op zijn schouder.
“Het is tijd, meekomen!” Met zachte dwang duwde de man de jongen voor zich op en buiten werd de jongen in de wagen geduwd. Naast hem ging de man zitten. Er werd niet gesproken. Onzeker keek de jongen naar buiten. Hij voelde de blik van de man naast hem op hem priemen en hij wist niet hoe hij moest reageren. De rit leek eindeloos lang te duren. De jongen was haast opgelucht toen ze eindelijk bij het politiekantoor stopten. De deur werd opengedaan en iemand sleurde de jongen naar buiten. Iemand keek hem aan.
“Zo, dus dit is de jongen,” hoorde hij zeggen. “Breng hem naar de ondervragingskamer.”
De jongen werd ruw meegesleurd naar een kamer en werd naar binnen geduwd. Hij zag onmiddellijk zijn schipper zitten, die rechtkwam.
“Laat de jongen eruit,” hoorde hij de man zeggen. “Hij heeft er niets mee te maken.” Dan hoorde hij een gil en zag de man tegen de grond slaan. Onbeweeglijk keek hij naar de man achter de schrijftafel.
“Weet je waarom je naar hier bent gebracht?” vroeg de man hem.
“Nee, meneer,” antwoordde de jongen.
“Jullie zijn naar het buitenland geweest.”
“Dat is niet waar, we zijn gaan vissen,” antwoordde de jongen. Hij keek naar zijn schipper, die langzaam weer rechtkwam. Hij zag dat ze hem onder handen hadden gehad. Onwillekeurig voelde de jongen hoe hij eventjes trilde. Het was plots zo koud!
“Op de grond!”
Niet-begrijpend keek de jongen op.
“Op de grond, ik zeg het niet meer, jongen!” De jongen liet zich op zijn knieën vallen. Daarna probeerde hij voorzichtig op de grond te gaan liggen. Hij begreep het doel niet, maar kwam hij al snel te weten. De man achter hem legde zijn hand tegen zijn hoofd, terwijl hij met de andere hand de handen van de jongen omhoogtrok. De jongen gilde het uit van de pijn. Hij probeerde zich los te rukken, maar de man trok zijn handen verder omhoog. Hij zou de armen van de jongen uit de kom rukken, als hij nog verder omhoog zou gaan. De jongen moest uiteindelijk zijn verzet staken. Hij kreunde luid. Hij zei niets.
“Schipper, jullie zijn in het buitenland geweest, wat hebben jullie daar gedaan?”
“We zijn niet in het buitenland geweest, hoe komen jullie erbij,” antwoordde deze.
Na een teken werden de armen nog verder omhoog gerukt. De jongen gaf weer een lange gil. Het duurde lang voor zijn armen weer werden losgelaten. De jongen zuchtte opgelucht.
“Breng de man weg. De jongen blijft hier.”
Even was er enige tumult, maar toen de jongen weer opkeek, enigszins bekomen van de pijn, was zijn schipper al weggebracht. Iemand rukte hem van de grond en dwong hem voor het bureau te gaan staan. Er zat nu een andere man die de jongen onbewogen aankeek.
“Wat hebben jullie in het buitenland gedaan?” Het was de stem die hij buiten had gehoord.
“Maar we zijn niet naar daar geweest,” antwoordde de jongen weer. Zijn schipper had hem verboden te vertellen dat ze naar Zweden waren geweest.
“Jongen, ik beloof je, binnen 7 dagen vertel je ons alles wat we willen weten.”
De manier waarop de man het zei, deed de jongen trillen.
“Maak hem los.” Zodra de jongen voelde dat zijn handen bevrijd waren, trok hij ze bij zich. Hij wreef over zijn pijnlijke polsen.
“Over 2 dagen beginnen de ondervragingen, ik raad je aan mee te werken, we hebben middelen om jongens als jij te doen praten.” Hij stond op en kwam voor de jongen staan. Hij duwde het gezicht van de jongen omhoog zodat de jongen hem recht in de ogen keek. Hij kneep in de kin van de jongen.
“Denk maar eens na wat je over twee dagen gaat zeggen.”
De jongen wou iets antwoorden, maar hij kreeg er de kans niet toe. De man liep weg. Hij werd alleen gelaten met een soldaat, die voor hem op een stoel ging zitten. Er werd niets gezegd, hij moest daar blijven staan. Hij wist niet meer hoelang, maar hij was doodmoe. Hij mocht niet slapen, niet eten, niet gaan plassen. De jongen schaamde zich dood, toen hij voor de eerste keer in zijn broek plaste. Maar na een tijd kon het hem niet meer schelen. Hij was doodmoe en wou alleen maar gaan slapen. Hij werd verplicht daar 2 dagen en 2 nachten te blijven staan. De hele tijd had er niemand tegen hem gesproken en in deze ruimte ving hij absoluut geen geluid op. Toen werd hij naar de hoek gesleurd. Hij werd op het bed vastgemaakt en alleen gelaten. De jongen viel vrijwel direct in slaap, maar een half uur later werd hij weer ruw gewekt…
(wordt vervolgd)
spannend… ik ben benieuwd naar het vervolg
[...] Deel 1 vindt u hier [...]
[...] Deel 1 Deel 2 [...]