Joke
De deal is, als ik op mijn handen kan staan, en van honderd naar één kan tellen zonder op mijn hoofd te vallen zal ik een stukje schrijven. Dus gooi ik mijn benen tegen een muur, en zeg vol overtuiging ‘honderd, negenennegentig’
en dan voel ik mijn bril van mijn neus glijden.
Dju.
Je moet dat eens doen, als er geen mensen in de buurt zijn, op uw handen gaan staan. Uw perspectief verandert helemaal.
En de kleur van uw hoofd ook, trouwens.
‘Zesentachtig, vijfentachtig, vierentachtig.’
De bril blijft wegzakken, dus buig ik mijn armen (wat een spieren moet zij hebben, hoor ik u bewonderend denken) zodat de bril zonder grote gevolgen op de grond valt.
‘Drieënzestig, tweeënzestig’
Mijn armen beginnen te trillen, en ik voel een vreemde druk in mijn hoofd én in mijn neus. Wie verzint er nu zoiets, op uw handen staan en tot 100 tellen, maar dan achterstevoren.
Kan ik niet gewoon schrijven?
Ineens denk ik aan de vijf wafels die ik als ontbijt heb gegeten, en de drie tassen koffie, de twee boterhammen met choco en het overschotje tomaat. Zouden die min of meer vastzitten daar in mijn maag? Of schuiven die nu ook langzaam naar de foute kant?
‘Vijfendertig, vierendertig,…’
En dan nog, stel dat ik val, wie zal dat weten, misschien ben ik wel nooit op mijn handen gaan staan, HA!
En dan moet ik mij ook nog voorstellen, waarschijnlijk?
‘Twintig, negentien, achttien’
Ik ben dus Joke, ik sta af en toe op mijn handen vooral bij het nemen van beslissingen, woon in een buitenhuis met zwembad, heb drie paarden, vijf pony’s en een goudvis, zing opera en belcanto en borduur tafellopers.
‘Zeven, zes, vijf’
Nee, dus, ik ben wel Joke maar al de rest niet,
maar ik sta wel soms op mijn handen
‘Eén’
Maar nu niet meer